Voedsel aan boord van een slavenschip (1 juli – Slavernijherdenking)

Vandaag wordt in Nederland het slavernijverleden herdacht en de afschaffing gevierd. Het breken van de ketenen (keti koti) staat symbool voor de bevrijding van de tot slaaf gemaakten in de Nederlandse koloniën in Suriname en de Nederlandse Antillen.

Na ruim 200 jaar voor de Nederlandse welvaart te hebben gewerkt werden de slaaf gemaakten op 1 juli 1863 officieel bevrijd*. Dit wordt vandaag de dag onder andere gevierd door duizenden maaltijden te verstrekken aan een ieder die belangstelling heeft. Het gerecht Heri Heri wordt bereid met cassave, zoete aardappel, bakbananen, eieren en bakkeljauw (gezouten vis). Deze stevige kost is representatief voor het eten dat de slaaf gemaakten aten op de verschillende Nederlandse koloniale plantages. Maar voordat mensen aan het werk werden gesteld in de Europese koloniën moest een erbarmelijke tocht worden afgelegd op een slavenschip waar de gevangenen ook gevoed moesten worden.

De middenpassage

De oversteek van Afrika naar de Amerika’s wordt de trans-Atlantische middenpassage genoemd en was onderdeel van de driehoekshandel tussen Europa, Afrika en de Amerika’s. Het eerste deel bestond uit schepen vanuit Europa gevuld met handelswaar waarmee in West-Afrika mensen werden aangekocht. Vervolgens werden de tot slaaf gemaakten op schepen gedwongen om de reis over de Atlantische oceaan te maken. Aangekomen in de ‘nieuwe wereld’  kwamen de meesten van hen op slavenmarkten terecht om te worden verkocht aan plantage eigenaren. De driehoek wordt compleet gemaakt met de terugreis naar Europa. Aan boord de goederen die met de opbrengst van de slavenhandel gekocht of geruild zijn en de producten (suiker, cacao, koffie, tabak, katoen) van de slavenarbeid, waarmee in Europa grote winsten werden behaald. 

Het kenmerkende aan de middenpassage was het leed van miljoenen Afrikanen die als vee bijeengepakt een ongewisse toekomst tegemoet gingen. In een tijdsbestek van drieëneenhalve eeuw zijn ruim twaalf miljoen Afrikanen over de Atlantische oceaan vervoerd, waarvan Nederland rond de 600000 voor zijn rekening nam**. 

Aan boord

Een arts aan boord van een Brits slavenschip zegt het volgende over de situatie: “Het menselijke voorstellingsvermogen is niet in staat om een beeld te schetsen van de vreselijke en walgelijke situatie op dit schip”. 

De Surinaamse auteur, verzetsstrijder en zoon van een voormalig slaaf Anton de Kom (1898-1945) durft het in zijn boek Wij slaven van Suriname (1934) wel aan om de omstandigheden in het scheepsruim te beschrijven: “Hierboven ruikt gij de prikkelende lucht van teer en de zilte zeewind. Daarbeneden stinkt het reeds een mijl lijwaarts naar zweet en de uitwerpselen van honderden in het ruim gepakte slaven. Hierboven hoort gij de kreet van de albatros, de zingende matrozen en het geruis der golven. Daaronder hoort gij het gejammer der slaven, de kreten van een vrouw in barensnood en de zweep, die neersuist op de ruggen der zwarten. U zult geen behagen kunnen scheppen in de ruimten onder het verdek, deze broeinesten van vuil en ongedierte, waar mannen en vrouwen gescheiden alleen geketend, vervolgens opeengepakt om ruimte te winnen, hun wanhoop uitjammeren. Ook gij moet iets voelen van de wanhoop en het verdriet der zwarten, weggesleept uit hun woonplaats, ver van hun verwanten, ziek door de deining en slechte voeding, vol angst voor hun onbekende bestemming.”

Mensonwaardig voedsel

De gedehumaniseerde Afrikanen moesten tijdens de reis van 60 tot 90 dagen gevoed worden tegen een zo laag mogelijke prijs met voedsel dat redelijk bestand was tegen bederf. Hierom werd in eerste instantie geprobeerd de Afrikanen te voeden met producten die meegebracht waren vanuit Europa. Dit resulteerde in een misselijkmakend mengsel van Europese tuinbonen en dierlijk vet, eventueel aangelegd met zoute vis. Daarnaast werden andere goedkope ingrediënten (meel, water, chilipeper, zout vlees, rijst, peper en palmolie) in verschillende samenstellingen verwerkt tot een papachtige substantie en aangeboden als niet meer dan maagvulling. Deze mensonwaardige mengproducten waren zo onsmakelijk dat velen liever stierven, dan zich over te geven aan het naar binnen werken van de weerzinwekkende pap. Hierdoor kwamen de winsten in gevaar, dus moest het anders. 

De slavenhandelaren bedachten om de slaaf gemaakten te eten te geven met voor hen bekend voedsel dat bovendien lokaal kon worden verkregen. Met een winstoogmerk verdiepten ze zich in Afrikaanse voedselgebruiken om zo een geschikt dieet te vinden die de overlevingskansen zouden vergroten. Afhankelijk van de Afrikaanse regio werden verschillende gewassen verbouwd en voedingsmiddelen ingekocht. 

Om de schepen te bevoorraden werd het meest gebruikgemaakt van de gewassen maïs, rijst en yam (Afrikaans wortelknolgewas). Maïs was via de Portugezen in Afrika terecht gekomen en groeide daar uitstekend. Rijst en yam zijn inheems en werden in delen van West-Afrika al als basisvoedsel gebruikt. Verder aten Afrikanen verschillende bonen – waaronder de in Afrika inheemse en in Amerika beroemde black-eye pea (zwarte oogboon) – die onderweg als voedsel dienden om het eiwitgehalte op te krikken.

Dit vernieuwde voedselregime resulteerde in een monotoon dieet op basis van zetmeelproducten (cassave, yam, bananen, maïs, rijst) waartegen de onvrijwillige opvarenden ook regelmatig in verzet kwamen door het eten te weigeren en in hongerstaking te gaan waardoor de slavendrijvers zich genoodzaakt zagen om over te gaan op dwangvoeren.  

Voedselbereiding

Het koken op het schip werd gedaan door een scheepskok die voor 20 tot 30 bemanningsleden het eten moest bereiden. Voor het klaarmaken van het eten voor de menselijke vracht werden vaak gevangenen gedwongen om te koken in de hoop dat die met de beperkte middelen en kennis van Afrikaanse producten nog iets eetbaars wisten te maken. In het boek the slave ship vertelt de historicus Marcus Rediker dat een groot aantal vrouwen betrokken was bij de bereiding van het eten. Ze hielden zich bezig met handelingen zoals het schoonmaken van de rijst, pureren van de yam en het malen van maïs. De vrouwen fungeerden ook als kok naast de scheepskok om voor de vaak honderden aan boord te koken. De knolgewassen en de rijst werden gekookt in grote ketels en maïs werd als pap gegeten of gevormd tot een soort cake en vervolgens gefrituurd.

Een of twee keer per dag werd het voedsel verstrekt in tinnen blikjes waaruit gegeten werd met een houten lepel. Deze gebruiksvoorwerpen werden streng gecontroleerd omdat deze wel eens als wapen zouden kunnen dienen tijdens een opstand, zoals in 1751 het geval was op het Nederlandse slavenschip ‘Middelburgs Welvaren’ die helaas voor de tot slaaf gemaakten slecht afliep.

Vindingrijkheid

Aangekomen in de koloniën kregen de slaven wat extra te eten om een gezond voorkomen te veinzen voordat ze te koop werden aangeboden. Eenmaal werkend op de plantages was het noodzaak om de slaven te voeden met eten dat ze herkenden, accepteerden en hen op de been hield. Kampend met schaarste wisten de Afrikanen gebruik te maken van hun grote kennis van tropische landbouw, het houden van dieren, kennis over wilde planten en de medische waarde hiervan. Daarnaast verstopten vrouwen en meisjes voordat ze gedwongen werden te vertrekken zaden van verschillende Afrikaanse gewassen in hun haar die ze aangekomen op bestemming begonnen te cultiveren. Zo waren ze dankzij hun inventiviteit en expertise in staat om hun desperate situatie iets dragelijker te maken. 

De eerste generatie mensen die de middenpassage hebben overleeft zijn in staat gebleken om voedselgewassen uit de verschillende continenten te verbouwen en te gebruiken om honger en opgelegde eentonigheid te bestrijden. Hierdoor werd als het ware het voedsel in de plantagesamenlevingen geafrikaniseerd en zien we vandaag de dag nog vele voorbeelden (o.a. Heri Heri) van Afrikaanse culinaire invloed in de Amerika’s.

(*De in 1863 bevrijde mensen moesten nog 10 jaar doorwerken als contractarbeiders en de plantage-eigenaren kregen 300 gulden compensatie per vrijgemaakt persoon van de Nederlandse staat.)

(**Nederlanders maakten niet alleen in Suriname en de Antillen mensen tot slaaf. Ook in Brazilië, Zuid-Afrika en Indonesië werden grote hoeveelheden mensen verhandeld, vervoerd en gedwongen om arbeid te verrichten.)

Verder lezen. kijken en luisteren

  • Foto gemaakt tijdens een bezoek aan de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum op 25-06-2021. Het kunstwerk La Bouche du Roi, van de Beninse kunstenaar Romuald Hazoumé verbeeldt met jerrycans, geuren en stemmen een schip met naamloze tot slaaf gemaakten.
  • Rediker, The slave ship: a Human history, 2008. (boek)
  • Carney/Rosomoff, In the shadow of slavery: Africa’s botanical legacy in the Atlantic world, 2011. (boek)
  • Miller, Soul Food: The surprising story of an american cuisine, one plate at a time, 2013. (boek)
  • Harris, High on the hog: a Culinary journey from Africa to America, 2012. Boek)
  • Opie, Hog and Hominy, Soul Food from Africa to America, 2010. (boek)
  • Penniman, Farming while black: Soul fire farm’s practical guide to liberation on the land, 2018. (boek)
  • Mintz, Tasting food, tasting freedom: excursions into eating, culture and the past, 1996. (boek)
  • de Kom, Wij slaven van Suriname, 1934. (boek)
  • Netflix, High on the hog, 2021. (docuserie)
  • DIG, Slavery & Soul Food: African crops and enslaved cooks in the history of Southern cuisine, 26-07-2020 (podcast)
  • https://www.slavernijenjij.nl/leven-in-slavernij/subthema/
  • https://bukubooks.wordpress.com/food/